Meestal wordt een foto in zijn geheel lichter of donkerder gemaakt. Maar veel foto's hebben een probleem in één deel: de lucht is bijna wit, terwijl de personen op de voorgrond in de schaduw staan. Als je het hele beeld lichter maakt, wordt de lucht nog witter. Als je het donkerder maakt, verdwijnen de gezichten. Gelukkig kun je met een lokale aanpassing precies het deel bijwerken dat het nodig heeft.
Kies het juiste deel
De meeste bewerkingsprogramma's hebben een penseel of een verloopfilter dat je alleen over een deel van het beeld legt. Met het penseel schilder je met je vinger het gebied dat je wilt aanpassen, bijvoorbeeld een gezicht of een donkere hoek. Met het verloopfilter maak je een zachte overgang van boven naar beneden, handig voor een lucht die bijna wit is. Daarna verander je de helderheid alleen daar.
Werk met kleine stappen. Een klein beetje lichter is vaak genoeg om het gezicht zichtbaar te maken. Bij een te sterke aanpassing ziet het gebied eruit als een lamp die naar de persoon schijnt. Zorg ook voor zachte randen. Een harde rand rond het aangepaste gebied is meteen te zien, als een soort krans. Een brede, zachte rand valt niet op en zorgt dat de overgang natuurlijk blijft.
Denk aan het licht dat er in werkelijkheid was. Als de zon van links kwam, dan moet het gezicht niet ineens van rechts verlicht lijken. Een aanpassing hoort het bestaande licht te versterken, niet een nieuw licht te verzinnen. Vergelijk het resultaat regelmatig met het origineel, en kijk of de foto er nog uitziet zoals de dag zelf voelde. Dat is de beste maatstaf.
Een donkerder gemaakte hoek kan het oog naar het midden trekken. Dat is een oud trucje: een licht donkere rand om het beeld geeft het meer aandacht voor het onderwerp. Doe dit heel zacht, zodat niemand het opmerkt. Als een foto klaar is, leg hem een uur opzij en kijk er opnieuw naar. Vaak zie je dan meteen of je het goed hebt gedaan, of dat het iets minder mag.